Hoofdstuk 11 a Een gevaarlijke toestand

Een praatje van mannen onder mekaar

“Wat duurt dat toch allemaal lang…”, zal iemand misschien zeggen of denken. Nou, dat vond Maria ook. “Wat duurt het toch allemaal lang Jozef…” zei zij. “Waarom gaan we niet naar huis, naar Nazareth? Kan ik eindelijk weer eens wat lekkers koken. Die kikkererwten komen mij de neus uit…..”  Hebben jullie je ook altijd afgevraagd wat zij in die stal nu precies aten en hoe zij hun kleren wasten en en …hadden zij dan wel reservekleding bij zich? En…véél vragen had ik zelf altijd, maar niemand die een antwoord gaf. “Mariaatje”, zei Jozef, “we moeten wachten op drie koningen, die uit het Oosten komen, dat zei de Engel in mijn droom…” Dat zinde Maria helemaal niet. “Dromen kunnen bedrog zijn, Jozef. Om eerlijk te zijn, ik begin mij hier stierlijk  (*kijkt naar de os en schrikt) uh nee, behoorlijk te vervelen.

Weet je, ik ga eens een ritje maken op de ezel; wat beweging zal mij én de ezel goed doen” en daar klom zij al op het zadel. Nu niet meer in amazonezit, maar gewoon aan elke kant een been. Zo had zij het vroeger ook altijd gedaan. “Hop ezeltje hop”, riep zij vrolijk en daar gingen ze. De kleine Jezus, die zijn moeder er vandoor zag gaan, zette het onmiddellijk op een brullen. Ja, kleine kindjes kunnen heel hard schreeuwen, als zij in paniek raken. En die brave ezel, die nog alleen kleine sputtergeluidjes gehoord had, schrok er van en niet zo’n klein beetje ook.  Oei, hij sloeg op hol, van pure paniek, met Maria op zijn rug. Een ezel op hol geslagen, dat is erg, lieve lezers. Als je daarop zit, zoals Maria, redt je het niet, absoluut niet. Je zakt opzij en….je valt eraf. BOEM !  En daar lag Maria zomaar op de grond, tot schrik van de herders en Jozef en zelfs van de ezel zelf. Hoe zou dit aflopen…? Misschien morgen meer…; wordt in ieder geval vervolgd…

Ach kijk nu toch...hoe zou dit aflopen?

Advertenties

Hoofdstuk 10 Zou het lukken?

Zouden de drie koningen wel op tijd komen?? Daar zit de vertelster een beetje mee.  Jawel, zij moeten een héél lange reis maken, maar…ik kan ze nog helemaal niet op pad sturen. Waarom dan niet? Omdat zij er nog helemaal niet zijn, zelfs ook nog niet helemaal, dus pas half, als jullie begrijpen wat ik bedoel. En hoe komt dat? Mijn breisters, die mij, de vertelster én regisseuse, veel werk uit handen namen, zijn er allemaal vandoor gegaan, behalve één ,maar die kan niet breien, alleen steken oprapen. Zij moesten zo nodig naar de wintersport, zeiden zij, want dat was al besproken. Zij vonden het ook niet nodig dat mij op tijd te melden, zodat ik voor een nieuwe ploeg had kunnen zorgen. Zij dachten wel op tijd klaar te kunnen zijn, nou ja…en wat is nu belangrijker, dat stomme skiën of De Geboorte? Dus nu sta ik er totaal alleen voor. Ik heb wat foto’s gemaakt van de dingen, die zij onaf achter lieten. Nog niet één koning is klaar, nou ja, de zwarte vordert, maar daarmee is ook alles gezegd. En die zwarte of eigenlijk bruine natuurlijk, op die zijn velletje hebben ze bezuinigd. Hij is gedeeltelijk lichtbruin of beige. Dat zit straks onder de kleding, maar Kwaster merkte toch even fijntjes op: “Die donkere koning heeft wel te lang in zijn zwempak in de zon gelopen, hahaha !!”  Ja, lach er maar om.

En ik had jullie zo graag op tijd het hele gebeuren willen beschrijven, compleet met de passende beelden erbij en er tevens ‘een puntje aan willen breien’.  Nou dat puntje zal nog even duren, maar ik ga aan de pennen en ik houd u op de hoogte. Misschien af en toe een heilig verhaaltje tussendoor of een anekdote of zo, want ik vind het niet passend in deze gewijde sfeer opeens over stofzuigen te schrijven of over andere onnozele zaken? Waarschijnlijk laat ik het verhaal van de ‘onnozele kinderen’ ook wel weg. Is zo akelig en misschien word ik dan wel onwel bij al die gruwelen. Nou ja, aan de pennen. (een mens moet soms ook álles zelf doen *pruttel pruttel*)

Hoofdstuk 9 De herdertjes lagen bij nachte….

"........slapie slapie doen'

Die arme herders liggen nu al zo’n tijd bij nachte, godganselijke dagen te wachten en een beetje te hangen in de startblokken,  dat ik ze echt niet meer kan houden, beste lezers. *Startschot klinkt* Daar gáán we dan.  Het liep al tegen de avond, de herders hadden hun twee schaapjes geteld,  -o nee, het zijn er nu al vier, waarover later meer- en ze wilden zich net te rusten leggen. Plotseling verscheen er een groot immens fel licht, de herders schrokken, sprongen op en keken naar de lucht.

En ja.....daar was de engel

 “Naar de andere kant…daar” , riep het jonge slimme herdersknaapje. De andere twee draaiden zich om en zagen een prachtige Engel, die zei: “Schrikt niet!  Ik kom u vertellen dat er een klein bijzonder kindje geboren is, Jezus heet hij. Jullie hebben de speciale eer hem te gaan opzoeken. Neem uw schaapjes mee en uh…..een beetje beleefd zijn, hè? Voeten vegen, met twee woorden spreken, geen winden en/of boeren laten…..”  De herders keken een beetje verschrikt. “Deftige boel” zag je hen denken. Enfin, zij beloofden hun stinkende best te doen en gingen op weg. Daar zagen zij een gewone stal waar een licht uitkwam.  (*Volgens anderen moest het een grot zijn, maar dat doet er nu even niks toe.)  En daar zagen zij het gezinnetje, de mooie Maria, de vriendelijke Jozef (weer helemaal bij de pinken) en vooral: het Kindeke Jezus. Zij dachten eraan wat de Engel gezegd had, deden hun sandalen uit en gingen op kousenvoeten eerst op Maria toe, feliciteerden haar en dan vader Jozef natuurlijk (niet wetend dat eigenlijk…nou ja, dat is dan ook een geheim) en daarna gingen zij op Jezusje af. Zij kietelden hem onder zijn kinnetje, aaiden hem over zijn bolletje en maakten de passende geluidjes: aa ttititi prppr  ach wat is hij lief hè, Jezus sus sus slaap maar lekkker pprfjghdufjgkdikjd…” en al die leuke onzin die mensen in zo’n geval zeggen  en zij wilden nog wel veel langer zo doorgaan, want zo’n lief kindje hadden zij nog nooit gezien, behalve Stavros natuurlijk, maar Maria zei dat het kindje gevoed moest worden en daarna “zijn slapie slapie doen”, voegde Jozef eraan toe. En zo geschiedde het in die dagen, eigenlijk net als in onze dagen. Je gaat op kraambezoek, neemt een cadeautje mee, eet een beschuit met muisjes (*toen nog niet) en wordt weer heen gestuurd, want alles draait om het kindje en de visite is leuk maar moet op tijd weer heengaan. Of ze nog een borreltje gekregen hebben of een glas Glühwein, dat vermeldt de geschiedenis niet en die van mij dan ook niet. Men moet niet te veel op eigen houtje gaan verzinnen. Stel je voor….

*1. Volgens A. de Vries, historicus en zoon * 3. Wanneer dat is begonnen, is onbekend.

Hoofdstuk 8 The making of……

3e Herder (portret)

Even een beetje rustig aan, dat jullie wat bij kunnen komen. Jozef is weer enigszins nuchter na zijn feestje van gisteren; zijn kater viel best wel mee eigenlijk vanochtend. Hij blijft wél alsmaar de sirtaki neurieën –het zit nu eenmaal in zijn hoofd-  en dat ergert Maria toch een beetje. Maar goed.

De 3e herder (met bril)

Het volgende: de breisters zijn nu klaar met de 2e én 3e herder. De ene is een beetje een schaapachtige puber en de 2e ziet er met zijn bril erg intellectueel uit. Of dat echt ook zo is, dat moeten we nog maar afwachten. “Een bril, dat kan toch helemaal niet in die tijd, historisch gezien?” hoor ik iemand van jullie al zeggen. Nu, dat kan nu eens lekker wél, want Stavros heeft hem zelf gemaakt voor die arme kippige man, die overal maar tegen aan botste en dat is niet zo best voor een herder. Het scheelt nu al een heel eind, kan ik jullie zeggen. Ik denk dat het niet zo lang meer duurt voordat de volgende akte eraan komt, die dat de herders door een engel erop geattendeerd worden, dat er een bijzonder kindje geboren is en zij zich naar de stal moeten spoeden met hun schapen en zo mogelijk een cadeautje, daar alles heel welkom is. En dan hier –héél modern-  wat bloopers. Dingen die gebeuren tijdens de repetities, maar die toch erg leuk zijn, achteraf natuurlijk.

Os kwam vast te zitten met zijn achterste.....

 Ja lezers, wel een beetje gemeen van ons, maar als de spanning te snijden is, komt een bevrijdende lach als geroepen. Met z’n allen kregen wij hem weer los. De repetitie kon weer doorgaan.

Op een nacht lag iedereen te genieten van een welverdiende slaap. Opeens hoorden wij een luid: “Bèèè  èèèè, wie doet er wat aan? Men is mijn pootjes vergeten te bekleden. En het is zo koud bèèè`…” Jawel, daar liep het arme beest zonder wol rond zijn pootjes. Een lieve breister is meteen aan de gang gegaan.

En dan de engel, die zou neerdalen vanuit de lucht om de herders op de hoogte te brengen. Het beloofde een indrukwekkende scene te worden, maar wat gebeurde? Hij kwam achter het snoer van de Kerstlichtjes vast te zitten…. hahaha ha ha aha wij kwamen niet meer bij van het lachen, behalve de Engel dan…….en de scene waarin de Engel wél goed hing in de lucht maar de herders niet wisten dat hij achter hen hing en daar stonden zij maar te kijken en te kijken….hahahaha het zal tijd worden voor een vroom optreden, maar ja, dit hoort er allemaal bij. kan ik jullie verzekeren.

De herders horen een engel…..

Binnenkort dus de herders bij nachte……

 

Hoofdstuk 7 Een ongelukkig incidentje

Alles verloopt rustig en kalm in het dorpje Bethlehem. Het kan haast niet beter, het is mooi rustig winterweer, Jezus is tierig, Maria is vol vreugde, de twee herders weten nog van niks en hoeden ieder één schaap. (Er komen er nog meer, maar zo kunnen ze zo vast wat oefenen.)  En Stavros, waar zou die zijn gebleven? Och, zij zijn dat van hem gewend; hij blijft wel eens meer wat dagen weg, om wat te dokteren, een breuk te ‘zetten’ en een pleister te plakken of af en toe eens te assisteren bij een geboorte. Dat is nog het mooiste, vindt hij. Maar de meeste vrouwen hebben liever een vroedvrouw, dus zo vaak komt dat niet voor. De twee herders maken zich dan ook geen zorgen en hoeden rustig voort. Alleen Jozef weet niet zo goed wat hij moet doen. Hij heeft niks te timmeren en Maria zorgt voor het kindje. Een beetje met hem spelen, is er nog niet bij. “Jozef, ga jij maar lekker een wandelingetje maken”, stelt Maria voor. Dat vindt Jozef geen slecht idee. En hij gaat aan de wandel en wie komt hij daar tegen?  Stavros, die net van plan is nog eens naar het kleintje te komen kijken. “Ha Jozef, nogmaals  gefeliciteerd man, ik kom voor het kind, maar we kunnen nu net zo goed eerst naar de herberg gaan om er eentje op te nemen…..” En hoe Jozef ook protesteert, hij zal en moet met Stavros mee. “Het scheel moet er af gedronken worden, mijn vriend; wist je dat niet?” Nee, dat wist Jozef niet. “Nou vooruit, eentje zal geen kwaad kunnen”, zegt hij tegen Stavros.

Naar de herberg

En zo betreden zij samen de gelagkamer, waar het nogal druk en vrolijk toegaat. “Hier is een nieuw slachtoffer, Jozef, een kersverse jonge vader”, roept Stavros luid. Allen heffen het glas en klinken. “Jozef, neem er eentje van mij, man er staat je wat te wachten….” “Ja en ene stevige van mij, die zul d dde goed kk kunnen gebruiken..” en niemand wilde bij de ander achterblijven. Al gauw stonden er vele glazen voor Jozefs neus en hetzelfde voor die van ‘den doktoor’. Er werden sigaren gepresenteerd, knoertige Havanna’s, echte feestsigaren en hoe meer men dronk, hoe scheler men ging kijken. Jozef dronk dapper met de mannen mee, blij dat hij plots in den vreemde zo veel fantastische en gulle vrienden had. Hij stak een gekregen sigaar op –voor het eerst van zijn leven- trok er eens flink aan, nam nog maar eens een slok en begon te zingen: “Hosan….nee Havanna in de hoge , in de hoge……” en iedereen zong met hem mee. Jozef zijn voeten gingen vanzelf  bewegen en hij begon te dansen, zo blij was hij. “Ha van nagilah hava (2x)……” enz.  En iedereen deed mee, zij zongen en zij dansten en zij namen er nog een.  En omdat ze nu toch bezig waren en de stemming er goed in zat, ging Stavros de Sirtaki doen, die kennen jullie wel, hè? Men vormde een grote kring en steeds sneller ging de dans en ook werd er in alle talen geproost: “Yammas, Lechaïm……daar ga je (Amsterdams) , Cheerio en er werd nog meer gezongen:  For he’s a very good fellow en het toepasselijke ‘Bij ons in de Jordaan’ en nog veel meer liederen en dansen, tot Jozef eenvoudig niet meer kón……” Kmoet ……moet n nnaar M mm mmariaa-tje, zzz ze zzzal onge onge ongerruts h héél ongeruts zijn….oe”. 

Op weg naar de stal

En zo gingen zij arm in arm –nou ja, Stavros was ietsje minder dronken- naar de stal terug. En wat zei Maria? “Geeft niks, hoor lieve Jozef. Kan gebeuren….” En zij viel gerustgesteld in slaap. Ach, een klein incidentje.

Vervolg hoofdstuk 6 Een nog gelukkiger dag

Kan haast niet, zou je denken, nóg gelukkiger. Maar jawel. Maria is een beetje uitgerust nu; zij heeft de tijd gehad alle teentjes en vingertjes te tellen en het klopte, precies twintig. Jozef is opgelucht. Vooral dat er een dokter bij was, een echte Griekse dokter  -dat zijn de beste- Stavros Rastapopoulos en dat de bevalling goed is gegaan en nu gelukkig helemaal  voorbij, want hij vond het maar wat eng allemaal. Ja, mannen zijn geen helden, dat weten we. En hij was trots dat hij toch maar op het nippertje dan onderdak voor zijn vrouw had gevonden. “Er was toch nergens plaats?” zult u denken. Dat was ook zo, maar één herbergier kreeg medelijden en zei: “Ik ben een stal aan het timmeren, die is al ver klaar. Die mogen jullie wel gebruiken…” Ja, het was in ieder geval beter dan niks en de vriendelijke man deed voor ze wat hij kon. “Hier is mijn eigen os” zei hij. “Die zal nog van pas komen in de kou. Het is een in- en ingoed beest. U hoeft niet bang te zijn. En hij zal u warmte brengen; laat het kindje, als het er is, vooral dichtbij hem liggen, onder die neusgaten. Een straalkachel is er niks bij en u zegt het maar, als u wat nodig hebt”.  En zo is alles toch nog goed gekomen. Eind goed, al goed, zullen we maar zeggen.

“Psssst, mevrouw, het is nog niet afgelopen, de herders moeten nog komen en d’engelenschaar en het koninklijk bezoek…” klonk een stem uit het souffleurshokje. “Och gut, ja natuurlijk, ik dacht al, wat doen die schapen daar toch…o ja, laten we zovast alles klaar gaan maken, de schapen fatsoeneren, het blaten nog eens oefenen, nou ja, we hebben het nog druk……”  (wordt vervolgd)

Een gelukkig gezinnetje en een schaap

Hoofdstuk 6 De grote dag

O wat een mooi tafereel

Eindelijk dan is het kindje geboren, lieve lezers. Geweldig, hè? Ik zal heel kort zijn, want de ontroering bevangt mij. Kind en moeder  maken het goed. Het is een prachtig baby’tje, 9 pond, een stevige bos blond haar en met blauwe oogjes, net als Jozef, die ook al behoorlijk aangedaan is. De Griekse dokter  was Maria goed tot steun, de os blies wat hij blazen kon en hoe het zit met de stal, vertel ik straks wel. Even het zakdoekje gebruiken………straks verder