Een zenuwachtig type

Update: Pakken, ’t stelt eigenlijk niks voor. Laat ik dat nu eens onthouden. Tip voor alle andere mensen, die er ook zo’n moeite mee hebben: maak van al je kleren, die opgevouwen zijn, keurige rolletjes. Het gaat minder kreukelen én er kan meer in je koffer of tas of rugzak.

Alles van op vakantie gaan, vind ik prettig. Behalve… inpakken. Ik ben er te twijfelachtig voor. Het enige wat ik steevast zonder te aarzelen meeneem, zijn mijn badpakken. Die zal ik nooit vergeten, omdat ik zo dol ben op zwemmen. (Er is ook een zwembad in het hotel, hiep hoi!)  En leesboeken … maar dan begint het al: welke boeken en hoeveel?  En dan slaat de grote twijfel toe, de kleding,  dat is het allerergste *hartgrondige zucht*. Als ik bijvoorbeeld een driekwart broek uit de kast pak, denk ik: “Even passen…want … kan ik er nog wel in?” Ook als ik hem bij wijze van spreken vorige week nog aangehad heb. Het spookbeeld doemt dan op dat ik alleen kleding bij mij heb, waar alleen een zeer slanke Thé inpast, alsof bij vergissing de tas van een andere mevrouw met die van mij omgewisseld is.  En dat ik dan de hele week of langer in hetzelfde moet lopen of drie dagen verknal met ‘verplicht winkelen’. Ik droom er zelfs wel eens van. Ik word dan bezweet en paniekerig wakker. En toch ga ik graag, hoor. Maar ja… Dan komt er een moment, dat er veel in mijn tas zit, maar wat precies? Heb ik dit wel of dat? Tegenwoordig zet ik op een papiertje wat ik er in stop. Slim, hè? Dan hoef ik niet iets te gaan zoeken en al die spullen door elkaar te gooien om het er opnieuw wederom netjes in terug te stoppen. En ik heb nog wel zo’n leuke, tevens handige tas gekocht met veel vakjes erop. Mijn paspoort is NIET verlopen. Heb ik al nagekeken. Weet u, beste lezers, ik begin er dadelijk  maar aan. Dan heb ik in ieder geval de tijd. Word ik misschien ietsepietsie minder zenuwachtig.  En tussendoor een wandeling om nog wat toiletspullen te kopen. Ben ook altijd bang dat ik te weinig van iets heb. O wat een vreselijk mens ben ik toch …

Advertenties

Naar ‘het bos’

Toen wij laatst mijn moeder bezochten, zijn wij daarna ook nog even naar ‘het bos’ geweest. Ik kreeg er opeens zo’n zin in. Heerlijk even genieten en opfrissen voor die lange autorit terug naar het noorden. En het wás er mooi, het Ulvenhoutse bos. Er kwamen ook tal van jeugdherinneringen boven. Hoe wij iedere zondag naar een bos gingen en mijn vader vroeg welk bos wij ditmaal zouden nemen. Het Mastbos (vlakbij ons huis toen), het Liesbos, het Ulvenhoutse bos? “Moeten wij nu alweer naar het bos?” riepen wij tot ergernis van mijn vader. Wij wilden wel, maar dan om verstoppertje te spelen en slootje te springen, maar niet ‘stom wandelen’.  Met mijn oom gingen wij ook vaak naar de Seterse bossen, maar dat was wel leuk. Zelf had hij geen kinderen en hij genoot als wij joelend van de ‘duinen’ (een grote zandverstuiving) naar beneden rolden, in bomen klommen, in vieze stinkende slootjes vielen en met z’n allen roetzwart in zijn auto klommen met zijn hond erbij, een wollige schapendoes en hij maakte het dan nog een stuk spannender door te gaan slippen, waarbij wij gilden van angst én pret tegelijk. Later, veel later genoten wij wel van een wandeling met ‘ons’ vader. Wij begrepen toen ook beter hoe hij daar, in een bos, tot rust kwam na een drukke werkweek en een al even roerig gezin, met 5 kinderen en een lieve maar ook al geen kalme vrouw thuis. Zelf was hij nogal introvert; hij uitte zijn zorgen niet. Daar was hij nu eenmaal het type niet voor. Hè…. wat zou ik dat graag nog eens meemaken. Met mijn vader naar ‘het bos’ en dan de vraag, naar welk bos precies. “Het Mastbos of het Liesbos of …?”

Mijn eerste aardbei

Een tijdje geleden was ik weer eens bij ons tuincentrum met zoon Martijn. Dat zijn altijd merkwaardige bezoekjes. Wat ik eventueel aan plantjes voor de tuin zou willen kopen, keurt hij steevast af met de toevoeging dat ik het helemaal zelf moet weten natuurlijk. Nu zag ik daar opeens aardbeienplantjes met van die lieve witte bloempjes. “Is ook leuk”, dacht ik, “en later komen er mooie lekkere vruchtjes aan … Martijn, wat vind je hiervan?”, vroeg ik, want beste lezers, ik leer het ook nooit. “Vraag het mij dan ook niet”, is mij al vaak gezegd. “Nou, ja …  best leuk”, zei hij tot mijn verbazing. Thuisgekomen liet ik de plantjes aan Kwaster zien. “Is nog nooit wat geworden…”, mompelde die. “Hoezo? We hebben het nog nooit geprobeerd…”, zei ik verontwaardigd. En gisteren – ik en ook Kwaster hielden al een paar dagen een grote aardbei in de gaten – was die mooi rood. Ik plukte hem, sneed hem keurig doormidden, vroeg Kwaster om er een foto van te maken (bewijs!) en wij aten hem op. HEERLIJK. Er zullen nog vele volgen, want het zijn doorbloeiers, maar de eerste is altijd het lekkerst. Laten we nu maar hopen dat het niet gaat zoals met de perzik van onze buren. Dat vertel ik u misschien nog wel eens.

Ha! Even opscheppen

Ja, dat mag wel, want het gaat niet over mij. Het gaat over mijn moeder. Wij bezochten haar gisteren en bezichtigden ook meteen de schilderijententoonstelling, waar zij aan ‘meedoet’.  Er hingen er veel. Maar de meesten kwamen mij zeer bekend voor. “Kwaster, ze zijn allemaal van mijn moeder..”, merkte ik op. “Nee, wel veel, maar … even zoeken … hier is er een van M.d.L  (of zo iets), die zijn weer allemaal van je moeder … even kijken … die portretjes zijn niet van haar … hier is er eentje van ene Aukie … die zijn weer allemaal van je moeder …  ja er zijn er heel veel van je moeder !”  “Ha! Daar ga ik eens flink over opscheppen! Stel je voor dat mijn moeder haar scheppingen weghaalde … wat zou er overblijven? Bijna NIKS! Wat zouden die andere dames in ’s hemelsnaam gedaan hebben al die middagen?”, riep ik. En zo was het. Ik zal u even uitleggen hoe het gekomen is. Mijn moeder (94) volgt al enkele jaren schilderlessen op Woensdagmiddag bij Jan Detrie. Hij komt daar les geven en alle dames zijn dol op hem. Hij neemt een pak kunstboeken mee, waaruit men kan naschilderen of als inspiratiebron kan zien of men mag zelf natuurlijk  wat verzinnen. De meesten geven de voorkeur aan wat houvast. En zo gebeurt het dat mijn moeder moedig naar Monet schildert, naar Renoir en vele anderen, naar foto’s maar ook naar Fiep Westendorp voor de achterkleinkinderen én omdat zij het zelf leuk vindt . Ik zal u wat foto’s laten zien. Mijn moeder is veruit de beste en dat moet zij zelf ook in alle bescheidenheid toegeven. Maar het is zo. Moge zij nog lang doorschilderen …

De wollewei

Kennen jullie dat boek van Godfried Bomans: Erik of Het klein insectenboek? Daarin wordt een schilderij beschreven, ‘De wollewei’ genoemd en nu maakte ik laatst een foto met allemaal uitgebloeide paardenbloemen, van die wollige pluizenbollen en opeens moest ik aan dat schilderij denken. Achter ieder plantje kan n.l. een vliegje zitten of een torretje of een ander insect, als je over enige fantasie beschikt dan. Ik ben er trots op deze afbeelding gemaakt te hebben. Zie hier dus het beroemde schilderij, waar Erik al dromend in verzeild raakte in zijn hansopje (zo iet als een soort pyjamaatje). Alle insecten verbaasden zich erover dat zijn velletje zo verschrikkelijk los zat, terwijl die van hen precies paste …

Goeie genade

Ik begin het nu toch een beetje knap zat te worden al die mensen die zo graag Jezus willen ontmoeten en zich daarvoor bij mij aanmelden. Ja, alsof ik niets beters te doen heb. Gaat men niet altijd weg met de feestdagen, nou ja de rijken dan? En bovendien kan ik helemaal niet zovast een Kerstverhaal schrijven, zeker niet met dit mooie weer. Voor mij is nu = nu en Kerst is nog heel ver weg. Ach, ik kies zo af en toe wel iemand uit, die mij wel leuk lijkt en die past in het geheel. Ik bedoel maar, dat één ballerina genoeg is en één clown ook. Ik heb er weer twee figuren bij en die stel ik in het kort even aan u voor en verder geen flauwekul. De eerste is een bruid. Geen gewone, maar ‘de bruid die NEE zei’… haha is weer eens iets anders dan “ja, ik wil wel”. Verstandige meid, zeg! Ja, om nu heel je leven aan één iemand vast te zitten, brrr…  Hoe zij heet? Ik weet het niet, ik ben het glad vergeten te vragen.  Heeft u een suggestie misschien? Ja, zou toch kunnen? En de tweede is  – houdt u vast – een Baskische vogelverschrikker. Eigenlijk ziet hij er te mooi uit voor z’n vak. Maar ja, de boer en de boerin vooral wilden zich niet voor hem hoeven schamen en dus kreeg hij nog gauw een nieuwe deken, waarin de boerin zelf altijd mee naar de kerk ging en een fatsoenlijke alpinopet, nu de boer toch een nieuwe had. Ook al geen idee hoe hij heet. Ik versta geen Baskisch. Nou ja, verzint u ook maar wat. Ja, ik maak mij er misschien een beetje gemakkelijk van af, maar wist ik veel wat ik mij op de hals haalde. Ze telefoneren mij, mailen, staan zomaar aan mijn deur te bellen, stappen brutaalweg mijn atelier binnen – ja, ik ben weer hard aan het werk – en pakken brieven liggen dagelijks in de bus. Lezers,  het is te veel. Af en toe zal ik u wat nieuwe mensen voorstellen maar meer doe ik voorlopig niet. Het kan ook té gek worden. We zullen wel zien, hoor. De zon schijnt, de lucht is blauw en ik ga gauw naar buiten. Joepie de …  poepie !

Gesprekje met Rein

Wat vooraf ging. Wij gingen met twee auto’s naar Sprookjeswonderland en op de heenreis zat ik tot groot plezier van de kinderen bij hen in de auto. Toen wij teruggingen, vroeg Rein* : “Oma, rij jij weer met ons mee?”  “Ja graag”, zei ik, “als het mag …”   “Ja hoor, dat mag, Oma” antwoordde Rein. Wij stapten in en ook achterin werden de riemen vastgemaakt. Hoorde ik opeens achter mij een bedachtzaam stemmetje: “… Dat mag. En als ik zeg, dat het mag, dan mag het ook !”

*Rein is drie jaar (bijna 3 en een half)