Gordelroos

Zo was ik kerngezond, zo bleek ik gordelroos te hebben. Het is een heel vervelende ziekte: erg besmettelijk en ook nog zeer pijnlijk.  Voorzien van een pak pillen en pijnstillers ben ik naar huis gestuurd en nu moet ik genezen. Ik hoop dat het niet zo lang gaat duren, maar er is geen pijl op te trekken, is mij verteld. Dus mocht u even niets van mij horen, dan weet u waar het aan ligt. Ik word in de watten gelegd en men verwent mij, voor zover dat dan mogelijk is. Potdorie.

Advertenties

Een lekker soepje

29386261_982299391921504_4525857052148153349_n

Bij het zien van een afbeelding van een lid van ons 12-uurfoto-clubje, zag ik vandaag een foto die mij plotseling aan iets geheel anders deed denken. Het is een herinnering van lang geleden maar het is een begrip geworden in ons gezin, zoals je dat soms hebt. Wij hadden een gezin met 5 kinderen, twee meisjes en drie jongens. Onze ouders gingen met vakantie en ik denk dat zij ons oud genoeg vonden om wat dagen voor onszelf te zorgen. Mijn tweede broer, Joop, was pas terug van een vaart met een tanker. Hij had gehoopt een wereldreis te gaan maken maar aangezien die boot alsmaar in een kringetje voer tussen Frankrijk, Engeland en Zweden , heeft hij de boot verlaten, is hij gedrost, heet dat geloof ik. Het gaf nog een heel gedoe, maar het is goed afgelopen omdat hij nog minderjarig was, denk ik. Er was één ding dat hij daar geleerd heeft en dat was chinees koken van een heuse Chinese kok. En gelooft u mij, dat was heel anders dan wij bij de Hollandse Chinees eten. Hij, mijn broer dus, was reuze trots en hij beloofde uitgebreid voor ons een diner te bereiden.  Wat hij allemaal klaar maakte, weet ik niet meer zo goed, maar de eerste gang was een soep, DE SOEP DER GODEN genaamd. U begrijpt wel dat wij allemaal smulden. Enfin, het leven ging door; we gingen naar onze diverse opleidingen, scholen  of werk  tot onze ouders weer terugkwamen. Wij gingen hen met z’n allen verwelkomen en waren blij dat zij gezond en wel weer thuis waren.  “Nou”, vatte mijn moeder alle verhalen samen, “ik ben blij dat het zo goed gegaan is en nu ga ik gauw wat te eten maken.” en zij ging de kelder in. Even later kwam zij met een nogal wit gezicht weer de kamer in en zei: “Er staat daar een pan met iets heel smerigs erin, wat is dat nou, getverjesses?”  Mijn broer Joop sloeg zijn hand voor zijn gezicht en zei: “Tja…helemaal vergeten, Mam. Ik kookte chinees en dat wás DE SOEP DER GODEN, ja nu niet meer natuurlijk. Zonde evengoed, het was een heerlijk soepje, Mam!”  Mijn moeder kon er op dat moment niet om lachen.

Wat een dag

Het begon dus zo mooi, zoals ik al schreef. Ik stond op het station te wachten op de trein naar Amsterdam en keek naar die velden waar zo’n sprookjesachtige nevel boven hing. Ik maakte een foto en voelde mij helemaal happy. Ik zou naar Artis gaan en had er zin ‘an’. Maar waar bleef die trein nou toch? En dat zei ik ook hardop. “Hij gaat om 13 over” zei iemand. Hee, dat was dus veranderd. Dan had ik toch nog een trein eerder kunnen halen, nou ja, dat was ook niet zo belangrijk. Daar was hij al en wij stapten in. Ik las wat en keek naar buiten en zo was ik snel in Amsterdam. Ik vergat NIET uit te checken en liep naar tramlijn 9. Er kwam een man aan, die ieder van ons een vervangende route ging wijzen. “En u?” vroeg hij. “Naar Artis” zei ik. “De metro, twee haltes” zei hij. Ik moest onder de grond, terwijl ik dat in Amsterdam nog nooit gedaan had. Ik liep een heleboel trappen af, zag geen aanwijzingen staan, iedereen liep allerlei kanten op en daar stond ik. Toch –op de een of andere manier- heb ik het gevonden. Vól die metro, ajakkes wat ongezellig.

 

Ik stapte uit op het Waterlooplein (want 2e halte) en moest dus nog een aardig eind lopen. Gewoon de tramlijn volgen, dacht ik, maar de weg kwam mij steeds minder bekend voor. Bovendien zag ik ook geen tramlijn daar. Nou ja, daar stond een groepje mensen te pauzeren (want roken) en die zouden het wel weten. En ja, ik zat helemaal fout. Maar er was een man bij, die het mij haarfijn uit kon leggen. “Recht naar die slagbomen, tegen die huizen aanlopen en dan naar rechts en meteen naar links. Komt u zo bij de ingang van Artis”. En ja, dat deed ik goed, daar was die mooie poort met die gouden adelaars, hiep hoi.

Ja, een eendenpuzzel a.h.w.

Ik ging naar binnen en daar begon dan eindelijk het grote genieten. Hoewel…ik toch een beetje zat te tobben hoe het nu zou moeten op de terugweg. Zou ik een metrostation kunnen vinden of het hele stuk moeten lopen naar het Centraal? Nou ja, het was er mooi. Er stonden volop krokussen, vooral witte en narcissen, ook vooral witte met een oranje toetertje en sneeuwklokjes en hier en daar al tulpjes, nee geen witte, maar rode. Ik genoot van de dieren, van de kinderen en maakte foto’s.  Afijn, het leek mij verstandig om niet te laat op de terugweg te gaan, vanwege die geheimzinnige lijn 9. Maar BOF BOF hij reed weer gewoon. (wordt dadelijk vervolgd)

Verder   “ Nou hee, is dat nu alles?” zult u zeggen.  Nee, beste lezers, het ergste moet nog komen. Ik reed dus met lijn 9 naar Centraal en stapte uit. Ik liep naar de betreffende gang en dacht: Zo, mij kan niks meer gebeuren. Even wachten en daar kwam mijn trein. Het was druk in de trein maar ik had nog fijn een zitplaats. Enfin ik lees weer wat, ik kijk wat rond en daar wordt wat omgeroepen. “De volgende stopplaats is Heilo”. Wat? Heilo?  “HEILO??”   riep ik. “Gaat deze trein niet naar Enkhuizen???”  Mijn coupé begon zich er meteen mee bezig te houden, “in Alkmaar dadelijk uitstappen, ik zoek het perron even op, ja spoor 3, 13 over 6 en dan naar Enkhuizen”. Beteuterd zat ik daar. O wat erg en o wat vreselijk stom. Nee hoor, kan iedereen overkomen, zei mijn coupé. En “hier moet u eruit en goede reis” zeiden ze met z’n allen. Daar stond ik dan, op een bijna leeg perron. Er was daar wel een lekker warm hokje en daar ging ik dan maar zitten. Ik belde Hans om mij te melden en Ik raakte nog in gesprek met een meisje, omdat ik nu zo onzeker raakte of ik wel de goede trein zou pakken. En ja, bijna gebeurde het…. toen ik in Hoorn uit de trein stapte, stond daar een trein klaar, maar ik stapte er NIET in en gelukkig maar, want hij ging naar Heerlen nota bene. Ik zag het al voor mij en hoorde mij zeggen: “Hans, ik ben nu op weg naar Heerlen… “  Straks mag ik niet meer alleen reizen.  Nou, dat was het dan. Zo iets overkomt alleen mij, jullie gebeurt dat niet zeker, hè??

De paarden er vandoor

Weet u nog dat ik vaak op mijn wandelingen langs een weitje kom waarin een paartje paarden staat?  Ik heb er wel eens over geschreven. Ze stonden gezellig met z’n tweetjes.  Ik heb ze al vaker eens gefotografeerd en was ook al begonnen tekeningen van ze te maken. Nu stak ik een paar dagen geleden de Hoofdstraat over om even naar de brievenbus te gaan en ik was al aan de overkant toen ik twee paarden aan zag komen, een witte en een bruine. Jawel, dat waren ze. In een drafje gingen ze over het fietspad, de grote voorop en het bruine dikkerdje er achteraan. Misschien ontsnapt over het ijs? Overal werden auto’s aan de kant gezet, want het is natuurlijk reuze gevaarlijk. En ik? Ik wist hun weitje wel, maar geen telefoonnummer van de eigenaar. Bovendien zou ik niet weten hoe ze te vangen. Lasso werpen, nee, dat heb ik nooit geleerd. Intussen draafden zij genoeglijk verder, eens een dagje erop uit saampjes, ja gezellig!

.

Nou ja, niemand wist wat te doen eigenlijk en zij verdwenen uit zicht. De volgende dag speurde ik in de krant, maar ik zag niks staan over een ongeluk of over paarden ver van huis. Maar het hield mij toch bezig en ik besloot eens langs hun weitje te wandelen om te kijken of ze al weer thuis waren. Maar tot mijn schrik waren ze er niet, geen van beiden. Weg, mijn leuke paardenmodellen!  Gelukkig heb ik de foto’s nog. Ik kan nog wel even vooruit dus, maar toch vraag ik mij ongerust af waar ze nu zijn. Zouden ze al in België zijn aangeland of misschien al in Frankrijk?? Of zouden ze naar het Noorden zijn gegaan, naar de Noorse fjorden misschien?  Ik ben benieuwd of ik nog wat hoor …

Bergen aan Zee

Wij hadden de vorige week de kleinkinderen te logeren vanwege de voorjaarsvakantie. Dan is het altijd een aanleiding om ‘iets leuks te gaan doen’  in Rein zijn woorden en dan bedoelt hij ook echt iets bijzonders, niet zomaar naar een kinderboerderij of naar een bos nee naar Artis of naar het Wassenbeeldenmuseum  (“heb ik van gedroomd, Oma”) of naar Indonesië of naar Australië…

Ons leek het leuk om nog even te wachten met Artis, tot de bollen in bloei staan en nu naar het Zeeaquarium in Bergen te gaan. Wij zelf waren daar ook nooit geweest trouwens. Ze vonden het prachtig en de grootste attractie was de vijver met roggen, die je mocht aaien.

Het is ook een prachtig gezicht: ze liggen plat in het zand, dan zwemmen ze een rondje en dan gaan ze bijna rechtop staan en laten zich aanraken.  Ik heb het geprobeerd te fotograferen. (De eerste is liggend, de tweede staat hij rechtop en zie je de onderkant). Ik had er nog best een tijdje willen blijven, maar zij hadden alles ‘al wel vijf keer’ gezien.

 

Naar buiten dus, het strand op. Het was wel berekoud, maar je moet toch bij de zee geweest zijn, nietwaar? Rein holde achter zijn zus aan, zo het koude water in, tot aan zijn knieën was hij kletsnat. Mare was nog droog, hoor. Rein had in zijn enthousiasme gewoon niet goed uitgekeken. Enfin, we kregen trek en gingen een tosti  eten en er wat bij drinken. Ondanks de ijzige kou was het een feestelijke dag, waar we allemaal op onze eigen manier van genoten hebben.