Gezellige praatjes

Laatst op een gezonde wandeling heb ik alweer kennis gemaakt met een hondje en zijn bazinnetje. Dat komt zo, voor zover u het nog niet weet, vaak als ik een hondje zie, dan vraag ik of ik even een paar foto’s mag maken. Meestal zie ik een mengeling op iemands gezicht van verbazing maar ook van trots. Het mag bijna altijd. Al doende vertel ik dat ik een tekencursus volg  (niet echt gelogen, vind ik) en meestal vertelt de bazin wat van haar hond en er komt (bijna) altijd een gezellig praatje van. De laatste mevrouw, die ik ontmoette, zei dat haar hondje een Tibetaanse spaniel was, dat het een heel oud ras was, die bij de monniken in Tibet daar iets met de gebedsmolens deden en de wacht hielden en zo raakten wij dus in gesprek. Zij vertelde dat zij ook wel eens tekende en zo liepen wij gezamenlijk op huis aan, want zij scheen vlakbij mij te wonen. Dit alles doet mij opeens aan mijn vader denken. De hond van mijn zusje kwam daar vaak logeren en mijn vader was verbaasd dat opeens allerlei mensen met hem in gesprek raakten, alleen maar omdat zij ook een hond uitlieten en elkaar dan vaak tegenkwamen . Als de hond weer thuis was, miste hij de lieverd erg maar ook de gezellige buurtpraatjes.

Wat heeft dat nu met mij te maken? Nou, ik loop zonder hond en toch heb ik vaak met deze of gene een aardig gesprek. “O deze hond heeft veel meegemaakt, hoor; is net op tijd gered…” ook zulke verhalen komen mij ter oren. En thuis begin ik te tekenen, de laatste was dus een Tibetaanse spaniel, die een klein beetje bang was voor hoge geluiden, die van mijn camera bijvoorbeeld. En omdat hij uit Noorwegen kwam, heette hij Knut. Een stoere naam hè voor zo’n klein hondje. Kijk, dit is hem. Misschien teken ik hem nog een keertje, want ik heb nog één  foto van hem, recht van voren, is wel moeilijk. We zullen wel zien. Deze is alvast klaar.

blog-005

Monoloog

blog 002Bij ons tweeën, bij Hans en mij dus, is het zo dat ik een langzame eter ben en Hans (Kwaster) juist een snelle. Terwijl ik a.h.w. hardop denk en zo indirect mijn maatje van alles op de hoogte breng, kan hij zo tevreden dooreten. Soms gebeurt het dat ik denk:  nu gaat hij wat zeggen, want hij doet zijn mond open … *spannend*…  maar nee, hij steekt een nieuwe hap in zijn mond. Maar hij luistert wel, hoor. En nu vanochtend aan het ontbijt of bijna al aan de lunch, moest ik zo lachen. Jawel om mijzelf. NOU HET REGENT TOCH WEER, ZEG! Ik vertelde hem dat ik opeens dacht (i.v.m. mijn arm):  je zult toch maar vioolspelen en zo’n ongeluk krijgen! Want je grijpt met je linkerhand de goede noten en de viool houd je op kinhoogte –PIJPENSTELEN GEWOON–  en zo hoog kan  ik nog lang niet. De mensen zouden raar kijken als ik mijn viool helemaal naar beneden hield.  Wat zeg ik nu allemaal? Hoe kom ik erop?  Ik héb niet eens een viool, laat staan dat ik er op zou kunnen spelen, ook zonder ongeluk. Hahahaha, als ik dat nu van de piano gedacht had, want dat kán ik,  maar dat heb ik trouwens al gedacht. Kwaster glimlacht en zegt: “Dat is dan een geluk bij een ongeluk”.  Daar moet ik helemaal om lachen. U ook? Of is het wat onduidelijk? Zal ik het nog eens opnieuw vertellen?

Nog wat tekeningen uit het wat grotere schetsblok, van alles wat.

blog 021blog 023blog 020blog 024

Een misverstand

blog 026 … zit Thé bij dokter de Haan. Zegt zij: “dan heb ik nog iets te vragen, dokter. Mag ik zoals ik nu ben helemaal van hier met de auto naar de Biesbos rijden? Voor een familiedag. Het betekent heel veel voor mij”.  Dokter buigt zijn hoofd om haar even goed in de ogen te kunnen kijken -doet hij wel vaker trouwens-  en vraagt: “Wat denk je er zelf van?”  Thé zegt: “ik zou denken van wel”. Dokter recht zijn rug en vraagt: “Zijn er andere mogelijkheden?” , waarop zij dan antwoordt: “de trein, maar… “ de dokter  spert zijn ogen wijd open en verklaart: “een mens mag auto rijden als hij 2 gezond werkende armen én 2 dito benen heeft…”

blog 025

En opeens gaat er bij T een lichtje op:  “Oooooooooooo  u denkt dat ik zelf rij,  néé, mijn man rijdt, hoor” en Kwaster beaamt dit natuurlijk.  Dokter kijkt ook verrast op en mompelt: “Mensen doen soms ráre dingen…”  “Nee nee, geen haar op mijn hoofd zou eraan denken…” zegt T en kijkt mistroostig naar haar slappe armpje en voegt eraan toe: “ik kán niet eens autorijden”.  Nu lacht dokter de Haan voluit en zegt: “Enfin, daar broedt de visarend, ja zeker, voor het eerst in Europa, dat is geweldig maar of je die te zien krijgt…” tjonge, denkt T, dat was nog eens een misverstand, stel je voor geen haar op mijn hoofd zeg…

Dromen

blog 004Dromen zijn bedrog, zeiden ze vroeger. Haha, mooi niet, denk ik zelf. Vannacht droomde ik van Gijs, Gijs Royaards, die een paar maanden geleden overleden is. Een kunstenaar met wie wij al meer dan 25 jaar bevriend waren. Ik vertelde het aan Hans. “Het was helemaal Gijs, Hans. Hij zou ‘even’  iets voor mij uitdraaien en het duurde en duurde… Gijs had nooit haast, integendeel.  jij ging intussen naar huis en hij vertelde  dat hij ziek was en niet meer zou genezen en opeens begon hij te huilen en legde zijn koppie tegen mij aan”.  Zo namen we afscheid in mijn droom, dat is ontroerend toch? Een mooie droom.  Later zal ik nog wat meer over Gijs bij leven vertellen, help mij herinneren, zei mijn lieve moeder altijd.

Met de trein (3x) vervolg

“Verder ging gewoon alles goed natuurlijk” schreef Ria (uit Zeeland) in haar reactie. Nou, zeg ik, Thérèse, dat is helemaal niet zo gewoon. Er had nog van alles kunnen gebeuren. En dat gebeurde ook. We hadden dus die opgehaalde kaartjes, maar moesten evengoed toch nog in een lange rij staan wachten. Nou moe! En in het nieuwe café –lang niet zo gezellig meer als het oude, van vóór de verbouwing, want het is net alsof je in een soort kelder zit- in het nieuwe cafe dus bestelde Kwaster appeltaart. “Met slagroom?” vroeg de serveerster. Kwaster begon te glunderen. Even later kwam zij terug, zei dat het haar speet, maar dat de appeltaart helaas op was, maar dat ze hele lekkere yoghurtpunten hadden bijvoorbeeld. Maar dat hoefde Kwaster niet. Toen moesten wij onze lunch doen met een superklein rond koekje bij de koffie, nou? Dat is toch wel nog een domper erbij, lijkt mij, na dat in de rij staan.  Maar de tentoonstelling was mooi, van Matisse en tijdgenoten en ik kan het weten, want ik zag hem al voor de tweede keer.

blog 018016blog 029blog 037

En wat er ook had kunnen gebeuren, bedenk ik op eens. We hadden ons kind  (42 jaar) wel kunnen verliezen of hij ons, want het is een groot museum waar je zo de weg kwijt raakt. Of de tram had kunnen botsen of … nou ja, bedenkt u zelf maar. Ik heb dit keer flink wat foto’s gemaakt, niet van de kunstwerken want die staan al in een boek thuis, maar van de mensen. Ik kan het niet laten, want je ziet heel veel interessante types daar, die vol aandacht naar de kunstwerken kijken en dus niet op mij letten. Ik zal er eens wat uitkiezen.

blog 057… Die van de kleuterschool heb ik niet meer…” hoorde ik iemand zeggen. 

En al doende…

Terwijl ik druk aan het meedoen was met de vernissage, (zie vorig logje), zei echtgenoot dat hij even buiten ging zitten. Even een luchtje scheppen, zoals dat heet, dát leek mij ook wel wat. Er stonden daar twee bankjes onder de bladeren.  Naast Hans zat een voor ons onbekende dame. “Vroeger stond op deze plaats een Pesthuis” meldde hij mij. Ik wist dat bij hem door al die genealogie ‘vroeger’ zo in de 19e eeuw betekende, maar dat wist die mevrouw niet. “Een Pesthuis” zei zij, “dat is wel erg lang geleden”. Ik probeerde zo’n beetje uit te leggen waarom mijn man vaker in de 19e eeuw vertoefde, maar opeens herinnerde ik mij dat ik daar zelf gelegen had ná de geboorte van onze tweede zoon. Dat vertelde ik haar ook. “Ja, en vroeger mocht je nog 10 dagen blijven” zei de dame, “nu wordt je na één dag al naar huis gestuurd. Je had toen een kraamhulp die kookte en voor alles zorgde en je leerde hoe je een baby moest vasthouden, ik wist van niks…”. Er schoot mij ook van alles te binnen. “Ik wist ook van niks” zei ik, “de eerste keer dan en u zult het niet geloven maar toen mijn kleindochter geboren werd, ging ik helpen, maar ik was weer net zo onhandig. Er was namelijk een heel ander badje, een tubbyding of zo…”  “Je moest ze onder de armpjes pakken en het hoofdje moest tegen je arm rusten…” mijmerde mijn buurvrouw. “En je had toen nog geen pampers, dat kun je je niet voorstellen, wij moesten stoffen luiers in zo’n grijze ketel koken …getsie vies én een heel werk..” ging zij door. “Er waren er wel”, zei ik, “maar ze waren ontieglijk duur en wij zaten in de kunst –ik wees de kant uit waar de vernissage doorging-  dus dat was niet voor ons weggelegd”. “Wanneer had u dan baby’s?” vroeg zij. “In ‘71” antwoordde ik. “Ach ja, ik al in ‘61” zei zij. En zo spraken wij nog een tijdje gezellig door. Wonderlijk hoe ik tegenwoordig zomaar met een wildvreemde in gesprek raak, terwijl ik vroeger zo vreselijk verlegen was en ook nog heel lang gebleven ben ook.

Een project, jawel

weblog 012Met Moederdag kreeg ik een leuk ouderwets breiboekje van zoon M.  Ik heb er al 11 piepkleine muisjes uit gebreid. Er staan meer kleine dieren in, wat voor mij erg aantrekkelijk is, want gauw klaar, haha. Daar houd ik van. Ik vroeg dan ook aan de betreffende zoon: “Hoe vind je de muisjes?” Hij antwoordde dat hij ze weliswaar erg leuk vond, maar dat hij  benieuwd was wanneer ik aan het nijlpaard zou beginnen. Ik verslikte mij haast in de koffie en stotterde: Het N… nn…nijlpaard? Maar dat is zo groot, joh en er gaat zoveel vulling in en… of wil jij dat Nijlpaard graag hebben?” Nee, dat hoefde hij niet, maar hij was gewoon benieuwd. Dus van de week maakte ik een beginnetje.

weblog 010Moeilijk, moeilijk, je begint met 7 steken, verdubbelt die, 14, dan 28, dan 56 en dan 112 steken maar liefst. Dat zou nog niet zo vreselijk zijn, ware het niet dat die onderste zeven de hele boel STRAK maken en dus moeilijk te breien. Ik overwoog het uit te trekken, maar ik had toen al zo veel kracht gezet bij al dat gemeerder, dat zou dus zonde zijn.  Weet je wat, Thé, dacht ik in mijzelf, gewoon iedere dag 2 pennen breien, dan duurt hel lijf een maand, wat geeft het? Nee, dan waren die muisjes wel leuker en in een mummetje klaar. Verdorie, dit wordt een heus PROJECT. Gaat iedereen aan mij vragen: “Hoe ver is het Nijlpaard? Kan het niet wat sneller? Mijn moeder had dat zo klaar gehad…” Nou, ik niet dus. Ik kan niet zo snel breien en het is ook geen iets dat af moet voor een bepaalde datum, hoor. Het moet wel leuk blijven. Het is MIJN project en het heeft gewoon zijn tijd nodig. “Iedere dag een draadje maakt een hemdsmouw in een jaar”, sprak echtgenoot mij bemoedigend toe. En zo is dat. Het meest interessante is, dat ik nu ook eens een project heb. Veel kunstenaars schilderen of beeldhouwen niet tegenwoordig, maar zijn bezig met ‘een project’. Ga ik met mijn tijd mee, nietwaar? Hoewel, pas een hemdsmouw, nog niet eens een héél hemd, alleen een mouw????